Komt een Kreidler bij de dokter met de mededeling: Ik voel me wat slapjes in mijn
ingewanden, mijn hart werkt niet helemaal goed, mijn longen zijn aan wat nieuws toe
en ook mijn houding bevalt me helemaal niet.
"Daar is wel wat aan te doen", antwoordde de dokter, "ingewanden eruit en nieuwe
erin en zo ook met het hart en de longen. Voor je houding heb ik een heel andere
oplossing in gedachte."
Een dergelijk verhaal klopt niet want ik weet ook wel dat een Kreidler niet kan praten.
Echter de dokter was er, een Kreidler blok was er en ook de transplantaties zijn
uitgevoerd.
Ik zal even aan de dokter voorstellen. Zijn naam is Herman Meijer. Nu zullen een
aantal mensen zich afvragen "Herman Wie"?
Eerst even wat historie
We verplaatsen ons naar 1963 en volgen dan twee personen:
Henk van Beek uit Zelhem begint in de 50cc racerij op een Batavus. In de daarop volgende
jaren belandt hij via Flandria en Sachs in 1967 op een Kreidler. Als hij het jaar
daarop internationaal gaat rijden, beleeft hij zijn eerste internationale race op
de TT in Assen. In 1969 start hij opnieuw in Assen op zijn Beek-Kreidler.
Herman Meijer uit Laren, Geld. maakt in 1963 de buurt onveilig met eveneens een Batavus.
Hiermee werd zoveel geëxperimenteerd dat er uiteindelijk in de schuur een plank vol
stond met wat uit de hand gelopen exemplaren aan cilinders.
Het "echte" racen begint voor hem in 1964 op de 50cc Kreidler, een "buikschuiver"
die hij via de Kreidler importeur overneemt van Cees van Koeveringen. In dat jaar
wordt hij gelijk maar Nederlands kampioen bij de junioren.
Herman Meijer is een geboren techneut en heeft naast zijn race hobby een uitgebreide
werkplaats voorzien van voor die tijd zeer goede metaal bewerkingsmachines. Hier
bedacht, ontwikkelde en bouwde hij een schat aan voor die tijd fantastische motor
onderdelen. Als kleine zelfstandige moesten deze werkzaamheden echter gedaan worden
tussen de werkzaamheden door waarmee geld in het laatje kwam. In de loop der jaren
wijzigt Herman steeds meer aan het Kreidler blok. Hij bouwt er allerlei zelf gefabriceerde
onderdelen op en in. Nadat hij in 1966 opnieuw Nederlands kampioen was geworden,
maar nu bij de nationalen, leverde hem deze prestatie een internationaal startbewijs
op. Hiervan maakt hij in 1967 gebruik door voor de eerste maal te starten bij de
TT in Assen. In het jaar daarop 1968 geeft hij zijn machientjes de naam HEMEYLA een
afkorting van HErman MEYer LAren.
In de winter van 1969/70 zijn er ook nog twee andere gasten regelmatig werkzaam in
de werkplaats in Laren. Het zijn Ton Kooyman en Jack Greevink beide woonachtig in
Nijverdal. Ton Kooyman had in 1968 een 50cc racer gebouwd op basis van een Kreidler
RS motorblok in een eigenbouw frame. Uiteraard vanwege de onderdelen kwam hij tijdens
het eerste seizoen in contact met Herman en van hem kocht hij een droge koppeling
en een primaire overbrenging met rechte vertanding. Zijn eerste jaar werd afgesloten
met promotie naar de internationale licentie. Jack Greevink was al een tijdje zijn
motormaat en ging in seizoen 1969 met hem mee als helper tijdens de races. Jack werd
ook door het race virus gegrepen en in de winter 1969 werd besloten om samen met
Ton gelijk maar twee nieuwe racers te bouwen. Er werden twee frames gebouwd en beide
voorzien van het hierboven beschreven HEMEYLA "productie" blok. Jack was er in het
seizoen 1970 behoorlijk succesvol mee in de nationale klasse hij won onder andere
de wedstrijd in Oosterwolde. Terwijl de kersverse internationaal Ton niet echt potten
kon breken tussen de "grote jongens".
Twee voorbeelden van hoe men vroeger iets kon bereiken met weinig middelen. Maar
met tomeloze inzet en hele nachten door te buffelen om alles op tijd klaar te krijgen,
dat was voor veel van deze mensen vanzelfsprekend.
Het speelde zich vaak af in hele
kleine schuurtjes, waar in de winter een oude houtkachel voor de broodnodige warmte
moest zorgen. Of een tot een oliekachel omgebouwd oud oliedrummetje en dat brandde
op afgewerkte olie. Het gevolg was dat er wel eens een probleempje ontstond en dat
de vlammen hun eigen weg wilden kiezen. Zoiets is heden ten dage voor velen niet
meer voor te stellen. Maar als je racen wilde, was dit vaak de enige manier, het
had echter als voordeel dat er vaak een zeer hechte band werd opgebouwd tussen de
betrokkenen en men vertrouwde elkaar blindelings. Wanneer er dan ook nog warme koffie
kwam, was het vaak een gezellige boel.
Raceuitlaat, expansiepijp, resonantiepot, hoe
je het ook noemen wilt, een zeer belangrijk onderdeel van zo'n 50cc racertje, er
zijn er hele verzamelingen van gemaakt men was een goede klant bij de smid op de
hoek. Daar kwamen die mooie zwarte kachelpijpen vandaan die dan omgetoverd werden
tot uitlaat. Hoe dat moet is weer een ander verhaal. En maar experimenteren met die
pijpen, langer, korter, dikker, dunner, verschillende vormen, noem het maar op, heel
kleine verschillen hadden soms een wonderlijke uitwerking op het motortje. Soms had
men een cilinder waar loei veel pk's in zaten, maar er was echter nauwelijks mee
te rijden omdat de powerband te smal was voor het maximale aantal van 6 versnellingen.
Hele lading uitlaatpijpen werden er uit geprobeerd, elke avond maar weer naar een
achteraf testweggetje om het ding beter te krijgen. Maar vaak of soms hielp dat allemaal
niet, knudde dus. Dan maar weer aan de slag om een andere cilinder te maken.
Maar zo als gebruikelijk in die jaren moest er aan het einde van het seizoen wat
anders komen want stilstand is achteruitgang. Bij Herman lagen nog twee blokken en
Jack en Ton besloten om deze over te nemen en daaromheen een tweetal nieuwe frames
te bouwen. De blokken waren reeds voor een deel gekannibaliseerd. Uit beide was de
zes-bak verdwenen, want het was ook gewoon handel voor Herman. Jack monteerde de
zes-bak uit zijn racer van het vorige jaar en Ton "kocht" een nieuwe zes-bak type
2, een evolutie van het type dat Jack had gemonteerd. "Origineel" waren deze blokjes
uitgerust met een watergekoelde cilinder en kop afkomstig van Jamathi. De ruwe gietstukken
waren door Herman en Henk passend gemaakt voor de in eigenbeheer gemaakte drijfstangen.
Voor Jack en Ton gold dat het zelf maken van drijfstangen te bewerkelijk was en daarom
werd besloten om standaard DKW drijfstangen te monteren. Deze waren echter wat korter
dan de door Herman gemaakte. Gevolg was dat nu de oorspronkelijk gebruikte Jamathi
cilinders ongeschikt waren in verband met deze kortere drijfstang lengte. Dit had
dan weer als direct gevolg dat er een nieuwe cilinder moest komen. Er werd dan ook
besloten om zelf deze cilinder te ontwerpen en te bouwen. Het moest een watergekoelde
cilinder worden en er moest een luchtgekoelde cilinderkop op komen. De achterliggende
theorie hiervan was toentertijd dat de verbrandingskamer heter moest zijn dan de
rest. Bovendien was het ook wel gemakkelijk bij demontage. Want de kop werd zo ontworpen
dat deze met eigen inbusbouten vastgeschroefd zou zitten op de cilinder (dus geen
doorlopende tapeinden). De cilinder blijft dus op zijn plek en als de kop eraf moest,
hoefde het water er niet uit. Grote hompen aluminium werden aangeschaft met de bedoeling
hieruit de cilinders, de koppen en hun afdichtingplaat te vervaardigen. Het draai
en freeswerk hiervoor werd "uitbesteed". Jan Greevink, de broer van Jack, en Hans
Schotman die op de school van machinefabriek STORK in Enschede zaten klaarden de
klus voor een balletje gehakt. De kanalen in de cilinders en de poorten in de cilinderbus
waren handwerk en werden in de Nijverdalse schuur uitgevoerd. De zuigers en de gietijzeren
cilinderbussen waren afkomstig van Harrie "DRM" de Boer uit de Meern. Herman verrichte
het draaiwerk voor het passend maken van de cilinders voor de cilinderbussen en het
honen van deze bussen. De zuigers waren origineel Mahle smeedstukken, hierop werden
hardverchroomde zuigerveren gemonteerd afkomstig van Jamathi. Ondertussen was door
Ton een ontwerp gemaakt voor een nieuw frame. Er werden vervolgens twee nieuwe frames
gebouwd. Ze werden voorzien van tank en zitje dat Jack, na eerst een stel houten
mallen gemaakt te hebben, in polyester had uitgevoerd. De kuipen komen bij Jamathi
vandaan.
In die tijd voorzag hij standaard Kreidler carters van een roterende inlaat, een
eigen krukas, een eigen droge koppeling met rechte vertanding en een door hemzelf
ontwikkelde en gebouwde zes-versnellingsbak met trekspie-schakeling. Van bovenstaande
HEMEYLA blokken werd een serie van ongeveer 50 stuks gemaakt welke soms compleet
en soms in onderdelen werden verkocht.
Toen het tijdperk van de L-zuigerveren zich aandiende, wilde Herman daar ook graag
gebruik van maken. Kreidler importeur van Veen had de beschikking over die veren,
en bij hoge uitzondering kon Herman over een setje beschikken. Maar helaas, bij de
volgende wedstrijd kreeg hij een giga vastloper dus zuigerveren weg, niet meer bruikbaar.
Herman zocht de maandag daarop contact met de Kreidler importeur maar helaas waren
ze niet bereid om een nieuw setje op te sturen. (bang voor de concurrentie van de
Hemeyla???) Herman was echter niet voor 1 gat te vangen. Goede raad is duur en dus
de volgende dag vertrok hij in zijn eentje in een nou niet bepaald luxe auto op de
bonnefooi richting Stuttgart (Kornwestheim) alwaar de Kreidlerfabriek gevestigd was.
Zonder de wetenschap op een kans van slagen meldde Herman zich aan de poort en deed
zijn verhaal. Blijkbaar maakte dat diepe indruk en Herman kon naar één van de hoge
bazen aldaar. Deed nogmaals zijn verhaal en blijkbaar was men zo gecharmeerd van
de Hollandse supertechneut dat hij spontaan een paar setjes meekreeg. Zo kon hij
de terugreis (500km) weer aanvaarden. Echter toen hij door slaap overmand raakte,
heeft hij een parkplatz opgezocht. Zijn vooraf meegenomen slaapzak te voorschijn
gehaald en is op de achterbank gaan slapen. Toen hij in diepe rust was, werd hij
nogal wreed gewekt en stond hij oog in oog met de Polizei. Deze vonden het maar zeer
verdacht dat iemand daar van zijn nachtrust ging genieten. Daar zou in hun beleving
wel wat anders achter zou zitten. Herman heeft hen toen uitgelegd wat zijn missie
wel niet inhield en ze hebben hem verder met rust gelaten. Hij is veilig weer teruggekeerd
in Laren, na een rit van 1000 km, enkel en alleen om een paar zuigerveren los te
praten.
Hierover gaat het verhaal dat deze onderdelen soms door "tuner's" onder eigen naam
werden verhandeld. En zoals in het geval van de zes-versnellingsbak werd deze zelfs
schaamteloos gekopieerd. Je kunt echter niet alles zelf fabriceren en soms ben je
afhankelijk van "fabriek's onderdelen". Maar ook dat is niet altijd eenvoudig. Dat
Herman zich daar zomaar niet bij neerlegde onder zijn motto:" Doorgaan, alsmaar doorgaan",
blijkt wel uit de anekdote links. Omdat Henk en Herman elkaar met regelmaat op de
circuits tegenkwam ontstond er een idee om samen twee nieuwe racers te bouwen. Henk,
ook een techneut en Herman besloten het als volgt te doen. Na een gezamenlijk ontwerp
zou ieder voor zich een blok bouwen. Afspraak was dat deze volkomen identiek zouden
worden en moesten passen in de aangepaste frames van vorig seizoen. Het blok zou
gebruikmaken van Kreidler carters, voorzien worden van bestaande Hemeyla onderdelen
en daarbij een staande cilinder, die 180 graden zou worden gedraaid. De gedachte
erachter was een betere afdichting van de zuiger in de cilinder. Tijdens de neergaande
beweging (werkslag) van de zuiger wordt deze door de drijfstang tegen de bovenzijde
van de cilinder gedrukt waardoor de uitlaatpoort beter afgesloten wordt, destijds
een tip van iemand die regelmatig bij Herman over de vloer kwam namelijk Jan Thiel
van Jamathi. Zie hier de door de dokter voorgestelde verandering van de houding van
het Kreidlerblok. Zoals vermeld had Herman een fantastische werkplaats en daarom
was Henk van Beek daar dus in de winter van 1969 bijna elke avond bezig aan zijn
blok. Op een zeker moment is er om één of andere reden iets tussen hen beiden voorgevallen
wat geleid heeft tot een breuk in de samenwerking. Uiteindelijk werd Herman de bezitter
van twee vrijwel complete blokken. Het blok wat Herman zelf had gebouwd, heeft hij
ook daadwerkelijk in het seizoen 1970 gebruikt in de racerij. Het andere blok bleef
in de werkplaats en werd langzaam ontdaan van een aantal onderdelen.
2007 Even genoeg historie, nu wat plaatjes anno 2007 over welk blok we het tot nu
toe hebben gehad. Want naast het blok onder de complete racer, die te zien is het
museum in Lexmond, is het tweede blok altijd in bezit gebleven van Jack Greevink.
De versnellingsbak en de droge koppeling zijn in de loop der tijd helaas verkocht.
Maar wat resteert is nog altijd de moeite waard, oordeelt u zelf.
Allereerst werd er een volle krukas gemaakt met dezelfde slag als die van Kreidler.
Deze krukas werd voorzien van een DKW drijfstang. Deze zijn korter dan die van Kreidler.
Vervolgens werd uit een stuk Aluminium een rechter krukascarter gedraaid en gefreesd
met daarin een losse pasbus voor de krukas.
Op dezelfde manier werd een linkerkrukas carter gemaakt maar hieraan zit dan direct
de behuizing voor de roterende inlaatschijf.
De beide delen passen middels de losse pasbussen in elkaar. Dit voor een goede afdichting.
Krukas in het rechter carterdeel. Pakking ertussen.
Linker carterdeel erop.
De roterende schijf werd gemaakt van een dunne zaagfrees. In midden van de schijf
werd een stukje schuurpapier geplakt tegen het verdraaien. Vervolgens werd de schijf
met een moer op de krukas bevestigd.
Dan tijd voor het buitendeksel waarop de carburateur wordt gemonteerd. Let eens op
de vorm van de uitstroom opening van de carburateur deze past exact op de opening
van de inlaatschijf in het carter.
Carburateur wordt met twee draadeinde op de behuizing van de inlaatschijf vastgezet.
Men neme een rechter Kreidler carter en een freesmachine. En na wat denk- en freeswerk
wordt dit de uiteindelijke vorm.
Idem dito voor het linker carter. Hier is tevens het schoepenrad van de centrifugaal
waterpomp te zien. Deze waterpomp werd door een as met tandwiel aangedreven door
het tandwiel van de tweede versnelling binnen in het carter. Op de voorgrond de behuizing
van deze waterpomp.
Als je dan de twee carters aan elkaar koppelt is het Kreidler blok nog wel te herkennen.
Even van de andere kant gezien.
Tijd om het krukas carter in het aangepaste Kreidler carter te passen.
En het past.
Zoals beschreven werd de cilinder uit een stuk aluminium gefreesd. Hierin werd een
gietijzeren cilinderbus geperst. Het uitlaatspruitstuk werd aan de cilinder vast
geschroefd.
De cilinder en de afdekplaat van de koeling worden door bouten op het carter vastgezet.
De luchtgekoelde kop wordt dan op de cilinder met bouten vast gezet. (Je kunt de
kop dus verwijderen zonder de koelvloeistof eruit te laten lopen.)
Hè hè eindelijk klaar..
Hoe het verder ging. De beide racers werden afgebouwd. Echter door omstandigheden
heeft de machine van Ton slechts in de werkplaats gelopen. Hij reed er niet mee.
De machine van Jack is wel ingezet en wel in het seizoen 1971, eindigend op de 14e
plaats net voor Aalt Toersen en in het seizoen 1972 met een 24e plaats. Tijdens beide
seizoenen waren de resultaten zeer wisselend vanwege technische problemen. Aan het
einde van seizoen 1972 hangt Jack zijn helm aan de wilgen.
Complete blok gemonteerd in de racer vanaf de linkerzijde gezien. Carburateur met
losse vlotterkamer en de mechanisch aangedreven pomp voor de koelvloeistof.
Complete blok gemonteerd in de racer vanaf de rechterzijde gezien. Droge koppeling
met daarvoor de gever van de elektronische ontsteking.
Heeft niet direct iets met het verhaal te maken maar een fijne bijkomstigheid was
een middagje fotograferen en kletsen over techniek en van alles en nog wat.
De ongespoten machine van Ton werd via een tussenpersoon verkocht aan het museum
te Lexmond. Deze staat daar nu nog steeds, alleen de kleurstelling is onjuist. Alles
wat metallic grijs is, behoort metallic goud te zijn. De machine van Jack werd beetje
bij beetje gestript. Het begon met het voorwiel dat uitgeleend werd aan Willem Koerhuis
omdat het zo lekker remde. Vervolgens gebeurde hetzelfde met de zesbak. Uiteindelijk
is het frame na een omweg belandt bij een fietsenmaker in Wierden.
Nog even dit. Het is maar goed dat ik met schrijven mijn brood niet hoef te verdienen,
want anders had ik het in het afgelopen jaar zeer moeilijk gehad. Naar aanleiding
van het artikel "Op bezoek bij Herman Meijer" dat ik bewerkt had voor KREIDLER.NL,
heb ik mij verdiept in de historie van die tijd. Met als doel te proberen de historie
van de unieke HEMEYLA blokjes te reconstrueren. Gelukkig ben ik een aantal mensen
tegen gekomen die dit alles van zeer nabij hebben meegemaakt. Want zij waren de mensen
achter dit verhaal. Bij deze wil ik Ton Kooyman bedanken voor zijn niet aflaatbare
stroom aan verhalen en zijn eindeloze hoeveelheid plaatjes van alles wat maar met
de racerij te maken heeft. Ik wil ook graag Jack Greevink bedanken, zonder hem zou
dit verhaal niets anders zijn geworden dan een saaie beschrijving zonder plaatjes.
Hij heeft toch maar zijn raceblokje van toen gekoesterd ondanks het feit dat hij
allerlei onderdelen had weggegeven of verkocht en die mij bovendien ook nog in de
gelegenheid heeft gesteld daar foto's van te maken. En verder Tonnie Wissink met
zijn passie voor racen en die voor Hemeyla in het bijzonder, die mij aan een aantal
anekdotes heeft geholpen. -RHB-
50 cc wegrace. Hengelo (Gld) 27 aug. 1972. Beide HEMEYLA's op pad. Nr. 24 Jack Greevink. Nr.
26 Ton Kooyman. Verder Nr. 9 Willem Koerhuis.
SCHITTEREND! Ik keek mn ogen uit toen ik naar beneden scrolde en het blok zag. Ben
van plan om ook een keer zoiets te maken als ik met al mn projecten klaar ben en
FLINK wat tijd heb.
Thijs Leuven
Mooi zeg, de ultieme tuner's, alles wat je niet bevalt gewoon veranderen voor betere
prestaties!
Johan van Zanten
prachtig artikel!
Het meest opvallende vind ik aan de constructie dat ze afwijken
van de typerende liggende cilinder van kreidler... Maar goed hier zal wel een goede
reden voor geweest zijn.
derk
in het artikel staat vanwege de afdichting van de zuigerveer oid
Johan van Zanten
ja de cilinder 180 graden draaien ja.. maar niet de hoek ten opzichte van de rest
van het blok toch?
tet
met een staande cilinder heb je minder lengte van het blok en je kan de uitlaat door
de gedraaide cilinder recht naar achteren laten lopen.
Ringhini
Prachtig artikel.
Ik was een bofkont omdat ik de 50cc racerij live heb meegemaakt.
Een bezoekje aan Herman Meijer, die even een testritje(met helm op)maakte door het
dorp,ongelooflijk. Het was een tijd waar in gewone jongens prachtige dingen maakte.
De waardering die er 30 jaar later nog voor is spreekt boekdelen en is meer dan verdient.
Rijk
Dit soort verhalen zijn voor mij ook het zout in de pap. Door "toeval" ben ik er
tegenaan gelopen. Er is vast ergens nog wel meer. De moeilijkheid is om het te vinden.
Ik vond het prachtig om te doen niet alleen vanwege de foto's maar de uitbreiding
van je kennissenkring geeft het een heel ander kader.
mvgrijk
Enthousiast geraakt door de belangstelling voor zijn blok heeft Jack Greevink aan
een restauratie van zijn blok begonnen. Allereerst heeft hij de buitenkant onderhanden
genomen. Er is een koppelingshuis opgezet ( met dank aan TET(Rene)) en een stomp
voor de gever van de ontsteking. Ook heeft hij de buitengedeelte van de klauwschakeling
van de versnellingsbak gemaakt. Bovendien het hele blok gepoetst en gepolijst.
Bijgaand wat foto's
Luc
Herman was in onze tijd, zoals ik al vaker geschreven heb, een apart verhaal. Naast
Jan Thiel behoorde hij tot de top wat in die tijd in 2T mogelijk was. (grote fabrieken
niet meegerekend)
Herman, die zich nog zelden laat zien, was ook aanwezig bij de Jamathi nieuwjaars
bijeenkomst in het museum 2 weken geleden en gaf samen met Ton Kooyman uitvoerig
uitleg over bovenstaande machine. Maar zoals de meeste tuner's, is hij geen waterval
van woorden. Het meest leuke vond ik dat ook in de tijd dat Herman voor Jamathi reed,
nooit gesproken werd over tuning. De uitzondering bevestigt de regel en moet dan
die omgedraaide cilinder geweest zijn. Mooie redactie Rijk
Groeten, Luc
Maarten
Leuk dat de aandacht geleid heeft tot deze mooie restauratie. Zo'n uniek blok verdient
het ook om op deze manier bewaard te blijven. Ziet er schitterend uit, smullen voor
alle liefhebbers van Kreidler, wegracerij en techniek.
M3GTDRIVER
Tjonge, jonge wat was dat toch een mooie tijd, een tijd waarin je als techneut met
flink wat fantasie en niet te vergeten "vaardigheid", nog een stempel kon drukken
op de prestaties tijdens wedstrijden. Tegenwoordig kun je haast alleen maar competatief
zijn als je de nieuwste fabrieks onderdelen kunt betalen en "mag" kopen! Er is tegenwoordig
nog maar één sport, bij mijn weten, waar dit nog mogelijk is: dragracen/sprinten
met motoren. Zelfs de jeugd ontkomt er niet aan, door de haast onuitputtelijke stroom
aan opvoer delen weten ze niet eens meer dat er iets als een vijl bestaat. Nee, dan
is een project als deze even iets anders, de beste man had een idee en dat wás het
en het moest en zou er van komen. In één woord: GEWELDIG ! Dat het niet het succes
is geworden waarop hij gehoopt had is (op dit moment) bijzaak. The proof of the pudding,
is the eating maar daarvoor moet je die pudding wel eerst even bereiden! Petje af.
Bron -- MAARTEN,S KREIDLER CLUB
Tot voor kort had ik een homepage met tekeningen van 50 cc Kreidler racers. Daar
zat echter geen verdere ontwikkeling in (als je de eerste getekend heb, is de volgende
minder leuk) en ook het updaten daarvan stond op een laag pitje. Maar een mens heeft
soms maar een hele kleine aanleiding nodig om net iets anders te gaan doen. Wat dat
betreft is het jaar 2007 voor mij een bijzonder jaar geweest. Het gebeurt niet vaak
dat er een aantal aanleidingen zijn die naadloos aan en in elkaar pasten. Ik zal
eerst proberen wat duidelijker zijn. Ongeveer een jaar geleden heb ik via het web
Jack Greevink ontmoet in mijn zoektocht naar het verhaal achter de Hemeyla Kreidlers.
Dat heeft een aardig verhaaltje opgeleverd met mooie foto's. Het verhaal was niet
compleet zoals U kunt lezen want het blok was niet compleet. Jack heeft ook het afgelopen
jaar niet stil gezeten want hij heeft in ieder geval de buitenkant zodanig afgewerkt
dat het weer op het blok van vroeger lijkt. Echter het blok is van binnen nog steeds
leeg. Waarschijnlijk zal het blok altijd leeg blijven omdat ik erachter ben gekomen
dat er maar twee of hooguit drie van dat type bakken zijn gemaakt. Ergens broeide
het in mijn achterhoofd dat er toch een manier moest zijn om dan maar digitaal dat
blok te vullen. Hier laat ik het even bij want ik schreef dat er een aantal aanleidingen
waren. De tweede aanleiding die mij op een andere manier heeft geholpen om iets te
gaan doen wat ik al een hele tijd in mijn hoofd had. Er was opeens een prachtige
uitgewerkte tekening van een Van Veen Kreidler blok op de Kreidler.nl site verschenen.
Wat ik altijd al wilde was een 3D-tekening van een Kreidlerblok maken. En zie hier
het 2D model werd mij op een presenteerblaadje aangereikt. Toen ook nog forumlid
Ed.P de moeite nam om een aantal foto's van zijn blok en de daarbij behorende onderdelen
in verschillende stadia van opbouw te plaatsen kon ik niets anders dan er maar aan
te beginnen. Omdat ik op en schaal van 1:1 wil tekenen was er echter een klein probleempje
dat opgelost moest worden. Op de onderdelen tekening van het VanVeen blok staan er
nergens echte maten. Althans niet direct. Gelukkig wel indirekt want we kennen bijvoorbeeld
de boring van de cilinder en ook alle fabricaat aanduidingen van de lagers zijn gegeven
en dus hun maten. Bovendien zijn er hier op de site ook nog een aantal mensen die
van de hoed en de rand weten en mij konden en wilden helpen met vragen over zaken
die ik niet uit de tekening kon opmaken. Maar om het te kunnen tekenen moet je volgens
mij ook weten hoe een en ander werkt. Enfin dat wist ik ook niet want ik heb nog
nooit in het echt een Kreidlerblok open gezien. Uiteindelijk weet ik nu hoe de 6-bak
van het dit blok in elkaar zit en ik heb nu dan ook een Van Veen Kreidlerblok. Ik
kan er niet mee rijden maar ik kan er wel dingen mee doen die met het echte blok
onmogelijk zijn.
Nu weer even terug naar het Hemeyla blok.
In dit blok hoorde volgens insiders een zesversnellingen trekspie bak in te zitten.
Wist ik veel wat een trekspiebak was. Zelfs na wat foto's bekeken te hebben van trekspiebakken
die gelukkig ook op het web rondslingeren kon ik mij er nog geen voorstelling van
maken hoe die Hemeyla bak met dat buiten het blok uitstekende overbrengingsmechanisme
zou kunnen functioneren. Er volgde weer een aanleiding. Op een zeker moment in 2007
raakte ik in contact met de persoon die wel wist hoe die bak functioneerde. Sterker
nog hij wist het precies want hij had zelf deze bak gemaakt. Herman Meijer in eigen
persoon. Maar ja overval iemand maar eens met een heleboel vragen over zaken die
hij een kleine 40 jaar geleden heeft bedacht en gemaakt. Nadat onze communicatie
wat aan elkaar was gewend, werd Herman steeds enthousiaster en er kwam een uitgebreide
uitleg over alles en nog wat maar over deze bak in het bijzonder. Enfin uiteindelijk
na tig uren "werk" heb ik nu ook een Hemeyla blok. Maar ja wat moet je nu met een
tekening van allemaal lijntjes. Er restte dus niets anders dan een manier te bedenken
om in een verhaaltje het verschil tussen beide bakken en blokken te laten zien. En
aangezien een plaatje meer kan verduidelijken dan vele woorden kunnen vertellen,
ga ik dus dat maar doen. Dus genoeg gekletst laten we maar eens naar de plaatjes
gaan.
Het eerste bakkie
Allereerst hiernaast de buitenkant van het blok van Jack Greevink.
En zoals ik de buitenkant zie.
Het leuke van tekenen is dat je ook nog iets anders kunt doen en dit kun je niet
in het echt. Je kunt ook een striptease uitvoeren We laten gewoon de carters weg.
De inhoud blijft dan gewoon op zijn plaats.
En als U nog even wilt schakelen … Ga Uw gang.
Ingenieus nietwaar. Een minimum aan bewegende delen die in elkaar moeten grijpen.
En weinig gewicht. Zoals ik eerder vermelde zijn van deze trekspie uitvoering er
maar een paar gemaakt. Er kwam een tweede versie waarvan er een 100 stuks ofzo van
zijn gemaakt en waarbij de schakelwals veranderd werd in een wat meer conventionele
uitvoering en dus uitgerust met een klauw. Het geheel paste dan ook binnen in het
Kreidlerblok. Overigens als U precies wilt weten hoe zo'n blok nu echt schakelt,
raad ik U aan om even te kijken bij