Zo'n roterende inlaat heeft in de regel tot gevolg dat de uitlaat regelrecht uit
de cilinder naar achteren geleid kan worden. Dat is erg gunstig in verband met de
plaatsruimte die anders zo'n uitlaat aan de voorzijde van de cilinder vergt en het
kan ook gunstig zijn voor de gasafvoer om recht naar achteren te gaan.
Maar daar staat tegenover dat de uitlaat het heetste deel van de buitenkant van
de motor is en het toch eigenlijk wel mooi is als die met zijn kopje in de rijwind
staat. Die achteruit gerichte uitlaat is evenwel algemeen aanvaard en de warmte problemen
zijn bestreden door. . . . . waterkoeling.
Mogelijke oplossingen koelproblemen.
Waterkoeling.
Niet alleen bij de uitlaat, maar ook op tal van andere plaatsen rond de cilinder
en de cilinderkop kon de warmteafvoer voor problemen zorgen. Een luchtgekoelde cilinder
koelt aan de voorkant beter dan aan de achterkant, tenzij men een heel speciale koelribbenvorm
maakt. Bij de motor met normale inlaat zorgt dan het verse gasmengsel aan de achterkant
wel weer voor aardig wat afkoeling, maar bepaald vast in de hand heeft men de zaak
niet en heel wat vastlopers bij luchtgekoelde tweetakten kunnen op rekening gebracht
worden van ongelijkmatige uitzetting van de cilinder.
Kreidler was van meet af in dit opzicht beduidend in het voordeel door zijn liggende
cilinder. Die had niet alleen de cilinderkop prachtig in de rijwind liggen, maar
ook rondom de cilinder een mogelijkheid van gelijkmatige koeling, plus een uitlaat,
die naar onderen wegliep en ook met zijn heetste punt pal in de rijwind, onder de
stroomlijnomhulling uitstak. Het heeft dan ook vrij lang geduurd alvorens ook de
Grand Prix Kreidler bij Van Veen waterkoeling kreeg, namelijk tot 1971, het jaar
van het wereldkampioenschap van Jan de Vries.
Waterkoeling heeft de naam zwaarder te zijn dan luchtkoeling. Het laat zich indenken
dat de altijd en overal kilogrammen besparende 50 cc renners er eerst weinig in zagen.
Maar per slot bleek een cilinder en een cilinderkop met watermanteltjes hetzelfde
of zelfs minder te kunnen wegen dan een luchtgekoelde set met zijn royale koelribben.
Daar komt dan wel het gewicht van de watervoorraad bij plus de noodzaak van een
koeler, een radiateur dus. Lach niet, maar de meeste renners maken die zelf van oude
autokacheltjes. Met name die van de Ford Taunus zijn een hele tijd erg populair
geweest! Hoe circuleert dat water? Bij Jamathi en diverse anderen bouwde men een
eenvoudig waterpompje in het systeem.
Anderen stelden zich op het standpunt dat zo'n pompje, hoe klein ook, toch iets voor
zich zou opeisen van die zo kostbaar vergaarde pk's.
Zij hielden het op de zogenaamde thermosyfonkoeling. Hoe dan ook de waterkoeling
heeft bewezen een wezenlijke bijdrage te kunnen leveren tot het oplossen van de problemen,
zowel van onmiddellijke warmte-afvoer als om gedurende de hele race een meer constant
motorvermogen te behouden.
carterkoeling
Er zijn trouwens technici die nog een stap verder willen gaan, door ook het carter
met water te gaan koelen. In een te warm carter zal het binnenkomende koele gasmengsel
onmiddellijk uitzetten. Er kan dan minder vers gas in en de motor zal minder presteren.
Wie uitgaat van een bestaand motorblok zal dat maar voor lief moeten nemen en desnoods
door "tochtgaten" boren wat moeten ondervangen.
Wie toch een heel nieuw carter wil maken, kan die waterkoeling meteen inpassen. Dat
deed Derbi in Spanje, waar het maken van nieuwe carters aan zijn fabriek die z'n
eigen gietwerk maakt, niet zoveel problemen oplevert. Maar dat deed ook één van
de andere grote Nederlandse motortovenaars die hier nog niet eerder ter sprake kwam,
Herman Meijer uit het Gelderse dorpje Laren.
Herman is niet alleen een voortreffelijk stuurman in diverse klassen, die niet alleen
op zijn eigen Hemeyla o.a. in Assen zeer
knappe prestaties heeft geleverd en als gastcoureur met evenveel verve de Jamathi
bestuurde, hij is bovenal een zeer knap motortechnicus die er Inmiddels zijn bestaan
van heeft gemaakt om voor allerlei opdrachtgevers bijzondere motorconstructies te
bouwen.
Zo is hij onder andere betrokken in het project dat de Zweedse Monark-fabriek aan
Jan Bruins heeft toevertrouwd, om van de origineel met een Sachs-motor uitgeruste
50 cc Monark, een bruikbare 50 cc Grand Prix racer te ontwikkelen. Zaken als even
een compleet nieuwe set tandwielen maken voor een versnellingsbak, of een nieuwe
krukas maken zijn dingen waar hij z'n hand niet voor omdraait.
Voor zijn eigen Hemeyla wilde hij ook het carter met water koelen. Wel, dan pakt
hij een vol stuk aluminium en bewerkt dat net zo lang tot het een carter is geworden
dat precies aan zijn wensen voldoet!
Ook Jamathi werkt met geheel zelf ontwikkelde carters, die men bij een specialistisch
bedrijf laat gieten. Op de Hemeyla zijn de koelsystemen van boven- en onderdelen
van de motor gescheiden, dus elk met een eigen radiateur.
Trouwens als we het over gietwerk en watergekoelde cilinders hebben, dan springt
in Nederland direct één naam naar voren: D.R.M. Dat staat voor Dutch Racing Motors,
de benaming waaronder Harrie de Boer in zijn woonplaats De Meern zijn raceactiviteiten
begon, maar zich al spoedig als zo'n alom gevraagd technicus ontpopte, daarmee regelrecht
in de schoenen van zijn vader stappend, dat er van .zelf racen weinig meer kwam.
Aparte olie en waterpomp op de inlaatplaat van een 50 cc racer
Hermans oplosing
stroom schema koelwater
Carter aanzicht van de linkerkant
Het watergekoelde carter heeft een eigen circuit met de radiateur onder de motor
geplaatst.
Elk koelcircuit heeft zijn eigen elektrisch aangedreven pomp.
Mechanisch aangedreven waterpomp, vanaf de linker zijde gezien.